[Eerste twee hoofdstukken van Elke seconde telt]

Vrijdag 17 juli 2048
21.55 uur

‘Oké. Nu!’ commandeerde de bestuurder van de zwarte bestelbus.De twee andere mannen pakten snel hun masker en trokken dat over hun hoofd.
‘Jij ook. Zet op, dat ding!’ snauwde de bestuurder.
Alhoewel Noa er geen zin in had, besloot ze toch maar te gehoorzamen.
Ze trok het masker over haar hoofd. Dat was voor de drie mannen het sein om in actie te komen. Ze sprongen uit de bestelbus, liepen op een draf naar de ingang van de bank en haalden – alsof ze dat vooraf zo hadden afgesproken – op exact hetzelfde moment een pistool uit hun jaszak. Noa volgde op een paar meter afstand. Toen de schuifdeuren automatisch opengingen, werd de bewaker overmeesterd die tegen een muur van het portaaltje geleund stond. Noa zag dat de bestuurder, en duidelijk de leider van het trio, de loop van zijn pistool tegen de buik van de bewaker aandrukte.
‘Zorg dat die deuren vanaf nu gesloten blijven,’ schreeuwde hij.
Met trillende handen opende de bewaker een klein kastje aan de muur en toetste een code in op een toetsenpaneel. Na een schelle pieptoon sloten de deuren zich.
‘Braaf,’ zei de leider, terwijl hij de bewaker een liefkozend klapje in zijn gezicht gaf. Bijna gelijktijdig kneep hij in de nek van de bewaker die vervolgens als een slappe vaatdoek naar de grond ging. Noa had nog nooit gezien dat iemand zo snel en efficiënt werd uitgeschakeld. Een andere bankrover bond de handen en voeten van de bewusteloze bewaker vast. Daarna stormden de drie mannen de grote hal van de bank binnen. Daar was het een drukte van belang. Drie rijen mensen stonden voor de balies op hun beurt te wachten. Rechts achterin zaten wat bankemployees achter hun bureau met klanten te praten.
‘Dit is een overval. Iedereen liggen!’ schreeuwde de leider.
Om zijn woorden kracht bij te zetten, schoot hij twee keer in de lucht. Een paar vrouwen gilden. Een seconde later lag iedereen plat op de buik.
‘Verroer je niet, anders ga je eraan!’
‘Wie is hier de directeur?’
Niemand reageerde. Het was nu vrijwel muisstil. Alleen een vrouw die vlak bij de ingang lag, jammerde zachtjes.
‘Zijn jullie doof?’ schreeuwde de bankrover nog harder. ‘Wie is hier de directeur?’
Achter een bureau ging heel aarzelend een wijsvinger de lucht in. De vinger was van een schichtig kijkende man. Zijn lichtgrijze overhemd had bijna dezelfde kleur als zijn gezicht, behalve onder zijn oksels. Een van de overvallers pakte de bankdirecteur in zijn nek en bracht hem naar de leider.
‘Zo, dus jij bent hier de baas. Ik wil de code van de kluis. Snel!’
‘Daar hebt u niets aan,’ stamelde de directeur. ‘De kluis zit op een tijdslot.’
‘Flauwekul! Als je niet snel meewerkt, tuig ik een van je jonge, knappe balieslavinnetjes af.’
De man liep naar de balie en sleurde een meisje erachter vandaan. Zelfs doodsbang was ze beeldschoon.
Dat gaat helemaal verkeerd, dacht Noa. Straks vallen er doden.
‘Jullie wilden toch geen slachtoffers?’ riep ze vertwijfeld.
De leider begon hard te lachen. ‘Het is hier geen speeltuin, dom wicht.’
Hij richtte zijn aandacht weer op de medewerkster en haar directeur. ‘Als je me niet binnen drie seconden de kluiscode geeft, schiet ik haar dood.’
De bankrover dwong het meisje op haar knieën en zette zijn pistool tegen de achterkant van haar hoofd. De directeur die door een andere overvaller in een wurggreep gehouden werd, bleef zwijgen.
‘Oké, ik tel af. Drie, twee, één…'
‘Stop het programma!’ riep Noa.

De overvallers verdwenen als sneeuw voor de zon, het interieur van de bank vervaagde en Noa was weer in haar eigen, vertrouwde omgeving. Wat een dom idee, dacht Noa. Ze had spijt van haar keuze om afleiding te zoeken in een avondje interactieve tv. Misschien was het ook niet slim geweest om zo’n gewelddadige film uit de jaren tachtig van de vorige eeuw te kiezen. Van al die primitieve criminelen werd Noa niet vrolijker. Ze maakte zich nu al bijna 24 uur enorm veel zorgen over haar grootvader.
Noa zette haar videobril af, liet zich uit de grote tv-stoel glijden en liep naar de grote ramen van de woonkamer. In de stad beneden haar was het rustig. Niet uitzonderlijk, want het onweerde. De terrasjes die overdag drukbezet waren geweest, waren nu stil en verlaten. Hier en daar zag ze een paraplu voorbijschuiven. Gek, dacht ze, dat er nog geen alternatief is bedacht voor een paraplu. In 2048 was het mogelijk om jezelf naar een andere plek te teleporteren, om mee te spelen in een interactieve film en om jezelf te genezen van kwaaltjes met een speciaal laserapparaat. Maar een oplossing om droog te blijven als het regende, was er niet.
Noa’s grootvader vertelde vaak over hoe vroeger alles anders was. Hij was nu 83 jaar. Honderd jaar geleden zou dat stokoud zijn geweest, maar in 2048 werden mensen gemiddeld 95 jaar. De meeste mensen gingen met 73 jaar met pensioen, maar Noa’s grootvader kon het werken niet laten. Hij was wetenschapper en had veel uitvindingen op zijn naam staan. Zo leidde hij 25 jaar geleden het team dat teleportatie had uitgevonden. Daarmee konden objecten over grote afstanden verplaatst worden. De vinding was een groot succes. Met teleportatie konden sommige objecten vliegensvlug van de ene kant van de wereld naar de andere kant gestuurd worden. Een diamanten halsketting uit een Londens museum die tijdelijk in Australië tentoongesteld zou worden, kon in tien minuten de afstand van 17.000 kilometer afleggen. Behalve tijd scheelde dat ook veel transport- en beveiligingskosten.
Later bleek de techniek ook op mensen toepasbaar. Toch was dit niet voor iedereen weggelegd. Een menselijke teleportatie van bijvoorbeeld Amsterdam naar Rome kostte algauw een half miljoen euro. Voor de meeste mensen onbetaalbaar. Professor Milan Siemons werd tot de grootste wetenschappers van zijn tijd gerekend. In 2024 had hij zelfs een Nobelprijs gekregen. Om een Nobelprijs te winnen moest je echt wel een genie zijn. Noa was apetrots op haar grootvader.
Daarna was Milan Siemons gevraagd een geheim overheidsproject te leiden. Noa had vaak geprobeerd informatie los te peuteren uit haar grootvader. ‘Lieverd,’ zei hij dan, ‘daarover mag en kan ik je niets vertellen. Maar neem van mij aan dat deze vinding nog uitzonderlijker is dan teleportatie.’
Noa begreep dat doorvragen geen zin had. Ze moest iets anders bedenken. Elke dag reisde haar grootvader naar een ondergronds complex in Soesterberg, zo’n vijftien kilometer van hun woonplaats Utrecht. Drie maanden geleden toen hij op zondag naar zijn werk ging, was ze hem gevolgd. Het was een mooie lentedag geweest en professor Siemons had besloten te gaan fietsen. De hele route was Noa achter hem blijven rijden, op zo’n honderd meter afstand.
Na een klein uur fietsen was hij een bosweggetje in gereden. Bij een toegangspoort met een slagboom was Noa’s grootvader uiteindelijk gestopt. Snel had Noa haar fiets achter een boom gezet en zich verscholen achter wat struiken. Vanuit die positie kon ze alles goed overzien. Achter de toegangspoort lag een grote, kale vlakte. De ondergrond was van beton. Hier en daar groeide onkruid tussen de spleten in het beton. Het leek wel of dit een landingsbaan voor vliegtuigen was geweest. Noa herinnerde zich dat ze op de basisschool een presentatie had gehouden over de Koude Oorlog, een periode van gewapende vrede in de tweede helft van de twintigste eeuw. In die tijd hadden de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie het regelmatig met elkaar aan de stok, zonder dat dat uitliep op een echte oorlog. In Soesterberg was destijds een Amerikaanse militaire vliegbasis gesitueerd geweest. Toen de Koude Oorlog voorbij was, werd de vliegbasis gesloten, ergens in de jaren negentig. Wat er daarna met het terrein was gebeurd, wist Noa niet. Dat was voor haar presentatie ook niet belangrijk geweest. Maar nu had ze dus de nieuwe bestemming van de voormalige vliegbasis ontdekt. Hier werd gewerkt aan een belangrijke uitvinding, waarschijnlijk zelfs meerdere.
Vanuit haar positie tussen de struiken had Noa gezien dat haar grootvader een praatje maakte met de beveiligers, waarbij hard gelachen werd. Waarschijnlijk had hij weer ergens bijdehand op gereageerd. Ondanks zijn hoge leeftijd was Noa’s grootvader nog steeds scherp van geest en tong. Noa hoorde dat haar grootvader de beveiligers een fijne dag wenste en zag hem daarna naar een klein gebouw lopen. Nadat hij zijn oog voor een scanner had gehouden en zijn hand op een touchscreen had gelegd, was hij door een deur verdwenen.
Noa had besloten niet te wachten tot haar grootvader weer naar buiten zou komen. Dat zou te lang duren. Bovendien wist ze vrij zeker dat hij daarna gewoon naar huis zou gaan. Wel had ze nog even goed gekeken naar het digitale bord bij de uitgang; centre for advanced technological inventions stond erop. Daarna was ze op haar gemak teruggefietst naar Utrecht. Sindsdien wist Noa dus waar haar grootvader werkte. Maar waar haar grootvader nou precies áán werkte, dat bleef één groot mysterie.

Noa merkte dat ze al minutenlang naar beneden stond te kijken en werd zich weer bewust van haar omgeving. Wat was Utrecht toch mooi, zeker vanaf de 21ste verdieping. Recht onder zich zag ze de Neude en wat verder weg de Oudegracht. Natuurlijk had ze ook uitzicht op de Dom, zoals de meeste mensen die in het centrum woonden. Utrecht was misschien niet meer die prachtige stad uit de middeleeuwen, maar er waren gelukkig veel monumentale panden behouden gebleven. Noa wist goed de weg in de binnenstad, veel beter dan haar vriendinnen. Ze geloofde eigenlijk niet in reïncarnatie, maar ze had van jongs af het gevoel gehad dat ze al eens eerder in Utrecht geleefd had. Misschien was ze wel eigenaar van de stadsherberg geweest in de middeleeuwen, of de vrouw van de burgemeester tijdens de Tweede Wereldoorlog… Noa dwong zichzelf te focussen op de situatie van haar grootvader. Hij was nu al één hele dag spoorloos. Ze was erg ongerust. ’s Ochtends was haar grootvader naar zijn werk vertrokken. Normaal kwam hij dan om een uur of zeven ’s avonds thuis, maar gisteravond had ze eindeloos met het eten zitten wachten. Vanaf acht uur had ze hem elk halfuur gebeld, en telkens kreeg ze direct zijn voicemail.
Milan Siemons was méér dan een grootvader voor Noa. Hij had al haar hele leven voor haar gezorgd. Toen haar moeder vlak na Noa’s geboorte was overleden en haar vader spoorloos was verdwenen, had haar grootvader meteen de zorg voor zijn kleindochter op zich genomen.
En nu was haar grootvader vermist. Toen hij niet voor het eten thuis was gekomen, had Noa zichzelf geprobeerd gerust te stellen. Haar grootvader was soms een beetje verstrooid. Dan ging hij zo op in zijn werk dat hij de tijd en zijn telefoon vergat. Ze besloot rustig te wachten. Ze had iets gegeten van de lasagne die ze gemaakt had. Echt lekker was het niet geweest. Het deeg was door het lange wachten klef geworden. De rest van de lasagne had ze in de koelkast gezet, zodat ze het kon opwarmen zodra hij thuiskwam. Verder had ze een film gekeken, maar daar had ze haar gedachten niet goed bij kunnen houden. Om twaalf uur was ze op de bank in slaap gevallen.
Toen ze de volgende ochtend wakker schrok, had ze eerst snel gecheckt of haar grootvader was thuisgekomen. Daarna had ze zich ziek gemeld op school en gebeld met het cati in Soesterberg. Nadat ze zich eerst door een keuzemenu had geworsteld, kreeg ze eindelijk iemand aan de lijn. Het beeld op het scherm was niet haarscherp geweest, maar ze kon zien dat het een man was, niet veel ouder dan 25. Hij had zich voorgesteld als Damian Martens, assistent van professor Milan Siemons. Hij zei dat hij het leuk vond haar eindelijk eens te spreken, want de professor had het vaak over zijn kleindochter. En nee, hij had de professor niet meer gezien nadat hij de dag ervoor rond zessen naar huis was gegaan. Damian was zelf ook een beetje ongerust geweest en had Noa gevraagd hem te bellen als professor Siemons weer terecht was. Ook had hij haar geadviseerd de politie in te schakelen.
Dat leek Noa een goed plan. Dus ging ze naar het politiebureau. Bij de receptie van het politiebureau werd haar verteld dat ze haar grootvader niet als vermist kon opgeven. Eerst moest hij 24 uur zoek zijn, en aangezien hij de dag ervoor om zes uur nog op zijn werk was gesignaleerd, was die termijn nog niet verstreken. Noa had geëist een rechercheur te spreken. ‘Nou, dan moet je wachten tot een van de collega’s tijd voor je heeft,’ had de receptionist haar toegesnauwd. Na uren wachten mocht Noa haar verhaal doen bij een rechercheur. Hij had haar aangehoord, maar had snel duidelijk gemaakt dat de politie geen tijd had om haar grootvader te zoeken, zelfs niet als die 24 uur wachttijd verstreken was. Voor vermiste kinderen deed de politie nog wel haar best, maar niet voor ‘seniele, oude mensen’. Noa was erg boos geworden. Hoe durfde hij haar grootvader seniel te noemen? Of hij wel wist dat haar grootvader een Nobelprijswinnaar was? De rechercheur leek niet onder de indruk en bleef haar onbewogen aankijken. Ze besefte dat ze geen steek verder zou komen en verliet teleurgesteld het politiebureau.
Die middag had ze allerlei vrienden en kennissen van haar grootvader gebeld. Niemand had iets van hem gehoord. Wel boden ze aan om haar te helpen, maar dat wimpelde ze af. Hij zou wel snel weer opduiken, vertelde ze iedereen. Ze moest het zo vaak zeggen dat ze het bijna zelf begon te geloven. Toch voelde ze aan haar water dat er iets mis was. Haar grootvader was nog nooit zo lang weggebleven. Hij was niet op zijn werk, hij was niet thuis en hij was ook niet opgenomen in een van de ziekenhuizen in de omgeving, want die had ze ook allemaal gebeld.
Het zweet brak Noa uit. Zou haar grootvader ontvoerd zijn? Dat leek haar sterk, want als het de ontvoerders om geld te doen was dan zouden ze van een koude kermis thuiskomen. Ondanks een succesvolle loopbaan was haar grootvader niet rijk. Zou hij vermoord zijn? Nee, waarom zou iemand hem vermoorden? Hij was altijd vriendelijk en voor zover Noa wist, had hij geen vijanden. Wat ook nog kon, was dat haar grootvader zelf ergens voor gevlucht was. Maar Noa kon zich niet voorstellen dat hij haar aan haar lot zou overlaten. Misschien moest hij vanwege zijn geheime werk tijdelijk onderduiken en mocht hij zelfs zijn kleindochter niet informeren? Niet aannemelijk, maar om alles uit te sluiten liep Noa naar de badkamer om te kijken of zijn toiletspullen er nog waren. Tandenborstel, scheerapparaat, aftershave; alles stond op zijn plek. Als extra check trok ze in de slaapkamer van haar grootvader de kledingkasten open. Ook daar leek alles normaal: zijn sweaters lagen netjes opgevouwen op de plank, zijn overhemden hingen keurig aan knaapjes en zijn sokken lagen in de la, gesorteerd op kleur.
Zou zijn paspoort er nog zijn? Snel liep Noa terug naar de woonkamer en tilde een schilderij van de muur. Daarachter werd een ingebouwde kluis zichtbaar. Haar grootvader had haar een paar jaar geleden op de hoogte gebracht van het bestaan van die kluis. Het was een ouderwets ding met een draaischijf met getallen. ‘Hier bewaar ik alle belangrijke dingen,’ had hij haar toevertrouwd. ‘Als mij ooit iets overkomt, maak dan die kluis open.’
Wat was de code ook alweer? Noa had destijds samen met haar grootvader de code gerepeteerd. Toch was de herinnering vervaagd. Ze probeerde haar hoofd leeg te maken en concentreerde zich. Dat was moeilijk, want ongewild dacht ze steeds aan de vermissing van haar grootvader. ‘Even niet aan denken,’ zei ze tegen zichzelf. Wat was die code ook alweer? Stukje bij beetje schoten de getallen haar te binnen… 45, 12, 62… Ze was er bijna, maar ze kon niet op het laatste getal komen. Daar had ze destijds ook moeite mee gehad.
Riep haar grootvader toen niet iets over een ezelsbruggetje? Iets over het geboortejaar van Noa’s moeder? Ja, dat was het! Met vaste hand draaide Noa de draaischijf naar 98. Klik! Noa pakte de hendel, draaide hem om en trok de kluisdeur open.
Het eerste wat ze zag, was het paspoort van haar grootvader. Het reisdocument lag helemaal voor in de kluis. Toen ze zijn paspoortfoto bekeek, sloeg haar hart een slag over. Als hem maar niets was overkomen…
Ze legde het paspoort terug en keek wat er nog meer in lag. Behalve een testament, een oud horloge en een vergeeld trouwboekje zag ze niets bijzonders. Tenminste, dat dacht ze. Want net toen ze de kluis weer wilde sluiten, viel haar oog op een kistje helemaal achterin. Het leek een sieradendoosje. Snel pakte ze het op. Het was veel zwaarder dan verwacht. Op de voorkant stond een schildering van een middeleeuws kasteel. Het zou me niet verbazen als dit kistje honderden jaren oud is, dacht Noa. Ze was wel vaker dingen in huis tegengekomen die er heel erg oud uitzagen. Een zwaard, een strijdhelm en een paar vergulde drinkbekers. Als Noa dan aan haar grootvader vroeg waar hij die vandaan had, zei hij altijd zoiets als ‘Ach ja, die kwam ik laatst tegen op een rommelmarkt. Waarschijnlijk is het niets waard’.
Op de bank probeerde Noa het kistje te openen. Even dacht ze dat het kistje op slot zat, maar nadat ze iets meer kracht gezet had, ging de deksel open. In het doosje ontdekte ze zes vakjes. De meeste waren gevuld met sieraden: kettingen, armbanden, oorbellen, broches. Waarschijnlijk van oma geweest, dacht Noa. Ze had haar grootmoeder nooit gekend. In 2013 was ze op 46-jarige leeftijd overleden aan borstkanker. Haar grootvader was nooit meer hertrouwd. ‘Ik ben getrouwd met mijn werk,’ zei hij altijd gekscherend.
Hé, wat was dat? In een van de vakjes vond Noa een doorzichtig plastic hoesje met daarin een geheugenkaartje. Op het hoesje zat een sticker met haar naam erop. Noa kreeg acuut kippenvel. Zou haar grootvader een boodschap voor haar hebben achtergelaten?
Ze sloot het doosje, sprong op van de bank en stoof naar het grote beeldscherm. Daar stak ze het kaartje in een van de uitgangen en zette het apparaat aan. Wat ze toen zag, deed haar knieën knikken.

 

Donderdag 1 augustus 2013
23.58 uur

Daan trok zijn dekbed over zijn hoofd en drukte het kussen tegen zijn oren. Het geschreeuw drie meter beneden hem klonk nu wat doffer. Toch kon hij alles nog letterlijk verstaan.

‘Waarom denk je altijd aan jezelf? Nooit, nooit hou je eens rekening met wat ik wil. Weet je wat, egoïstische klootzak, waarom donder je niet gewoon op?’

De stem van zijn tante klonk bijna hysterisch. De ruzie beneden liep verder op. Daan voelde zich ellendig. Hoe vaak had hij zijn oom en tante al horen ruziën? Toen de ruzies vier jaar geleden begonnen, had hij vaak na afloop uren wakker gelegen. Soms verdrietig, soms boos. De laatste tijd viel hij na een tijdje toch gewoon in slaap. Vaak had hij dan wel nare dromen. Zoals eergisteren, toen hij droomde dat zijn oom zijn kamer binnen stormde en riep dat Daans tante het huis in brand had gestoken. Om vervolgens weer even snel zijn kamer uit te rennen, Daan aan zijn lot overlatend.
Hevig zwetend was Daan wakker geworden. Even was hij opgelucht geweest toen hij besefte dat het slechts een droom was, maar al snel overheerste hetzelfde nare gevoel dat die ruzie van die avond had opgeleverd.

‘Ik word echt niet goed van jou. Misschien moeten we inderdaad maar kappen met deze poppenkast. Een gelukkig gezinnetje worden we toch nooit. En weet je? Ik wil het niet eens! Jij en Daan sodemieteren maar op. Dan ben ik mooi van jullie verlost.’

Daan wist dat zijn oom niet veel met hem op had, toch kwamen zijn woorden hard aan. In de acht jaar dat Daan nu bij zijn oom en tante woonde, was hij nooit gelukkig geweest. Ook niet in het begin, toen ze nog moeite hadden gedaan. Hij had nooit liefde van hun kant gevoeld, zoals hij die wel had gekregen van zijn ouders. Maar Daans ouders waren er niet meer. In september 2005 hadden Fabian en Femke van den Heuvel, zoals zijn ouders heetten, een citytrip naar Londen geboekt. Het KLM-toestel waarmee ze ’s maandags terugvlogen, stortte vlak voor de kust van Nederland neer. Daan kon zich nog precies herinneren dat hij door de schooldirecteur uit de klas werd gehaald. Ook de woorden die de directeur gebruikte, stonden in zijn geheugen gegrift. Vreemd genoeg kon hij zich van de begrafenis, een paar dagen later, heel weinig herinneren. Dat was allemaal langs hem heen gegaan.
De weken na de begrafenis had hij bij zijn vriend Rick gewoond. Daar was hij weer wat bij zinnen gekomen. Ricks ouders waren aardig en begripvol. Hij was daar graag gebleven, maar Peter en Maartje Staverman gooiden roet in het eten. Maartje was de zus van zijn moeder en samen met haar man Peter had ze besloten Daan te adopteren. Ook waren ze in Daans ouderlijk huis gaan wonen. Daan had later bedacht dat ze hem waarschijnlijk alleen maar hadden geadopteerd om het huis te krijgen.

‘Jij hebt toch helemaal geen last van ons, want je bent er bijna nooit.’
‘Ja, en kun je ook bedenken waarom ik er bijna nooit ben? Ik werk me een slag in de rondte. Zestig uur per week, om jou naar je schildercursussen en tennislessen te laten gaan. En als je nou thuis nog wat uit zou voeren? Maar het enige wat je hier doet, is klagen. Verwend kreng.’

Daan had er genoeg van. Hij griste zijn draadloze koptelefoon uit het kastje boven zijn bed, leunde opzij om bij zijn stereo-installatie te kunnen en drukte op de power-knop. Heavy metal schalde in zijn oren. De muziek stond te hard, hij voelde zijn oren trillen. Slecht voor mijn trommelvliezen, dacht hij. Toch draaide hij het volume nog wat verder omhoog. Hij wilde niets meer horen van wat zich beneden afspeelde. De laatste woorden echoden nog na in zijn hoofd. Er zat een kern van waarheid in. Peter Staverman werkte hard. Zestig uur was niet eens overdreven, want als je de uren meetelde die hij na werktijd thuis nog achter de computer zat, kwam je met gemak aan zeventig, tachtig uur per week. Hij was makelaar in Amsterdam, op zo’n vijftig kilometer van hun woonplaats Zeist. Dat was hij al zolang Daan zich kon herinneren. Maartje werkte drie ochtenden in de week, als verkoopster in een modezaak in Utrecht. Dat werk deed ze pas vier jaar. Daarvoor werkte ze als receptioniste/telefoniste bij het makelaarskantoor van haar man. Tot de dag dat ze Peter betrapte in de spreekkamer met een vrouwelijke klant. In die tijd wist Daan niet wat er voorgevallen was. Hij had wel gemerkt dat de sfeer in huis tot een dieptepunt was gedaald. In die tijd waren ook de ruzies begonnen. Daan had stukje bij beetje uitgedokterd wat de aanleiding was voor de gespannen relatie van zijn adoptieouders: het overspel van zijn adoptievader.
Daan voelde zijn oogleden zwaar worden. Hij sperde zijn ogen nog een keer wijd open om te kijken hoe laat het was. 00:12 gaven de rode neoncijfertjes aan op zijn wekkerradio. De koptelefoon hield hij op, zodat hij niets van de ruzie beneden zou horen. Wel zette hij ’m iets zachter. Een paar tellen later zakte hij weg in een diepe slaap.